Klots - Stadsjournaal (column David Stolk)

Winschoten

Rondom het begin van de lente is het traditie dat de heren van het Winschoter Stadsjournaal twee avonden vullen met hun materiaal in De Klinker. Maandag en dinsdag. Meer dan 1000 gasten vervoegen zich op deze twee avonden in het theater.

Een goede vriend van mij en ik proberen al jaren, tevergeefs, lid te worden van deze club. Deze club kenmerkt zich door onvervalst cynisme en Winschoter humor. Precies in ons straatje. Vorig jaar hadden de goede vriend en ik zelfs naambordjes gemaakt met ‘aspirant-lid’. Het mag nog steeds niet baten. Op de maandag is de naborrel het leukst. Niet alleen de films zijn een feest der herkenning, ook de pauze en de nazit lijken op een grote reünie. Bier en bitterballen zijn nauwelijks aan te slepen. Ik was vroeg. De heren zitten aan de koffie in het theatercafé. Terloops vraag ik waar onze VIP-kaarten zijn. Ik word lachend verwezen naar de ‘Social sofa’ op het Oldambtplein. ‘Goa doar mor zitten, komt vanzulf aine bie die zitten.’ Grinnikend vraagt de penningmeester mij of ik koffie wil. Alles lijkt onder controle. De penningmeester is echter wat onwennig. Dit jaar heeft hij geen consumptiemunten gekregen. Hij heeft consumptiebonnen aangeschaft. Op deze bonnen staat een datum. ‘Dus voor middernacht moet alles op!’ De theaterzaal zit vol. Drie films voor de pauze en drie films na de pauze. Verleden en heden van Winschoten passeren de revue. Verdwenen handel en nijverheid. De eeuwige verbouwingen van de Venne en een film over 50 jaar buurtvereniging Dwingeloweg. De voorzitter van het bestuur vertelt trots over zijn inspanningen. Het aantal leden weet hij niet. ‘Dat most de siktoaris vroagen.’ Ook de secretaris weet het niet. Soms heb ik het idee dat ik naar Koot en Bie of Jiskefet kijk. De penningmeester zit naast ons. Bij de aftiteling vertel ik hem enthousiast dat hij er ook bij staat. ‘Ach, al vijfendertig jaar sta ik erbij.’ ‘Tijd om te stoppen, roep ik in het voorbijgaan.’ Na het tweede deel haasten wij ons naar het theatercafé. Daar is het een kakofonie van moi, moi, ah moi, hee moi. Wij staan op de hoek en de notoire leden komen er ook bij staan. Wij trakteren, zij trakteren. Welgemeende en vileine opmerkingen volgen elkaar op. Allen nemen we er nog een met de jas aan. Jur en Harrie doen hun sjaal om. Ze waarschuwen ons dat het ijzelt. Samen met een drietal leden fiets ik naar huis door de Langestraat. Bij de Hema ga ik rechts, ik groet en bedank hen voor een mooie avond. Het is koud en na de Lidl zet ik een sprint in richting huis. Ik moet naar links, maar de fiets gaat rechtdoor en ik glijd over de klinkers. De volgende ochtend heb ik best wat last. Mijn dochter zegt dat oma wel een wandelstok heeft en mijn vrouw zegt dat er waarschijnlijk teveel genuttigd is. Ik vertelde dat de bonnen op moesten. Het is nog geen lente.

Auteur

Arjan Brondijk