Klots - Petunia (column David Stolk)

Winschoten

Sinds een aantal jaren zit mijn dochter op hockey. Dat vond ik vooral zelf leuk. Ik houd mijn vrouw en dochter voor dat ik het belangrijk vind om een teamsport uit te oefenen. De hockeyclub HCW drijft op vrijwilligers. Ook ik ben gestrikt. Naast het draaien van bardiensten, zetel ik in het bestuur. Als algemeen bestuurslid. Inderdaad.

In mijn jeugd had je in Nieuwolda twee voetbalclubs (twee bazaars), een gymvereniging (twee uitvoeringen met bal na), een tennisclub (daar hoorde je verder niets van) en de ijsvereniging. Deze vereniging was uiterst fanatiek in het werven van donateurs. Als ware colporteurs ging het bestuur langs de deuren. Maar weinigen werden geen donateur. Een keer in de zoveel jaar ging de ijsbaan open en de kwast, flesjes Heineken en frikandellen met mayo kostten bijna niets. Onze hockeyclub heeft elk jaar twee acties om extra inkomsten te vergaren: de metworstenactie en een paar maanden later ‘iets met bloemen’. Deze inkomsten zijn vaak hard nodig om aantrekkelijke evenementen te organiseren voor de jeugd. Daarnaast wil het bestuur graag een pinapparaat. De papa’s en mama’s van de bezoekende teams hebben steeds vaker geen contant geld op zak. Vooral degenen uit Haren en Groningen. Onlangs nam een team zelfs hun eigen koffie in thermosflesjes mee. Dit jaar had de verantwoordelijke commissie bedacht om in plaats van geraniums, petunia’s in een ‘hanging basket’ aan te bieden. Dit stuitte op wat weerstand. Elke verandering is moeilijk. Om de verkoop wat te bevorderen, plaatste ik in onze ‘familie-app’ een oproep of deze of gene belangstelling had voor de bloemen. ‘De opbrengst gaat regelrecht in de zakken van de bestuursleden’, had ik als wervende tekst erbij gezet. Met succes. Mijn vader sponsorde graag een goeie graaier. De vrouw van mijn vader appte nog dat Petunia’s stinken. De hele familie heeft gekocht. De schoorsteen in het clubhuis kan weer roken. Mijn moeder heeft de basket naast haar voordeur hangen. Onlangs was ik bij haar om mijn dochter op te halen. De bel ging en ik deed open. Heiko. Van de ijsvereniging. Met de donateurskaarten. Ik vroeg of ze nog steeds zoveel donateurs hadden. Heiko zei dat het minder werd. ‘Maar alles is welkom!’, zei Heiko. ‘Geld stinkt niet.’ Pecunia non olet, zei keizer Vespasianus. ‘Deze Petunia wel trouwens, moiu. Petunia olet', grapte ik. Heiko keek mij verbaasd aan. ‘Moi he!’ Weer drie tientjes rijker.

Auteur

Arjan Brondijk