Stolk | Humor. |Column David Stolk

In mijn beperkte beleving is Winschoten altijd anders geweest. Anders dan andere stadjes in de provincie. Winschoten kent een rijk, mede Joods, verleden. In Winschoten gebeurden dingen. Positief en negatief. Vaak deed het de wenkbrauwen fronsen. Er was altijd wat aan de hand. In de volksmond wordt het Sodom genoemd. Heden ten dage meer een geuzennaam dan een stad van hel en verdoemenis. Het nagenoeg verdwenen dialect is rijk aan woorden met een Bargoense en Jiddische herkomst. Wanneer je de (ooit) gangbare woorden analyseert, hebben deze vaak te maken met de zelfkant van de samenleving. Prostitutie, drank, flessentrekkerij, geld en anderzijds zaken die het daglicht niet konden verdragen. Vanuit deze overlevering is, mijns inziens, ook een soort zwarte humor ontstaan. Elkaar tot de enkels afbranden, dan wist je dat je er bij hoorde.

Op de RTV Noord site las ik een stukje over de Algemene Beschouwingen van de gemeente Oldambt. Deze vergadering werd opgeluisterd door een vrolijk Gronings rapduo die de handen vaker in de lucht kreeg dan het afgelopen jaar. De eindconclusie was dat alle fracties het op grote lijnen eens zijn. Zelfs, luis in de pels, de VCP opperde een plan voor een botenshow in Blauwestad. Weet u het nog? De eenzame strijder die dapper weerstand bleef bieden? Eens of oneens. Maar het wakkert een discussie aan. En door discussie en debat blijft men scherp.

Gelukkig zijn er een aantal personen, instituten, winkeliers en andere paradijsvogels die de rijke traditie in stand houden en door vertellen. De humor kenmerkt zich door zelfspot. De jaarlijkse voorstelling van het Winschoter Stadsjournaal is daar een goed voorbeeld van. De beelden zeggen alles en van de voice-over druipt het sarcasme. Ook een aantal winkeliers onderling leggen elkaar op humoristische wijze het vuur aan de schenen. Op een drukke Duitse dag, belde de overbuurman van een delicatessenzaak. In de tijd dat de telefoon nog aan een draadje zat. De winkelier moest met een volle winkel naar achteren lopen. Ja moi met Koos, drok he?

Als ik dit soort verhalen hoor, mis ik in alles ’t Pleintje. In ’t Pleintje kwam alles. Journalisten, fotografen, boswachters, horecalui, scholieren, Itakkers, een paar klaplopers en een gevallen profvoetballer. Maar zodra ze de klapdeur doorgingen was iedereen gelijk. Ik kwam vaak binnen op vrijdagmiddag. Ik nam rustig plaats naast Hein, de boswachter. Twee Itakkers namen ook plaats aan de bar. ‘Ah moi, Gerrie, mienjong, due birre!’ Mijn baas van de zaterdag, Bert, kwam binnen. Hij had net een zoon gekregen, dus hij was met kinderwagen en luiers. Hij was een kleine twee weken oud. Hij sliep. Bert zette de wagen keurig in de hoek. Bert bestelde ‘eem aine van mie.’ En een ieder feliciteerde hem. De Itakkers wilden weleens zien of het kind echt wel van Bert was. Samen bogen ze zich in de kinderwagen om een soort Italiaans gewauwel te laten horen. De vader bedacht zich niet en riep: ‘met die knoflookbek boven dat kind weg!’ Schaterend zochten de kleine mannen hun kruk weer op.

De humor ligt op straat. Maar schijnbaar steeds minder. Alles ligt gevoelig. Overal dient men rekening mee te houden. Niet doen. Zoals een bekend filosoof al twitterde: ’Let Winschoten be great again.’ Toch?