In de wachtkamer: Wel is dat, kinst doe hom? - column

Winschoten

Door schade en schande wijs geworden extra vroeg uit de veren. De jaarlijkse controle staat op de rol en om te voorkomen dat ik ruim een uur moet wachten, stap ik met fris gemoed het gebouw binnen. 

Niet vroeg genoeg zo blijkt, want hoewel de mevrouw van Certe pas om half negen de eerste naald in een arm zet, zit de ‘wachtkamer’ al redelijk vol. Ik neem plaats op de niet bepaald comfortabel zittende kuipstoeltjes. Links en rechts van mij een paar oudjes, schuin rechts zit Jampie, een paar stoelen verder twee lieden van middelbare leeftijd. 

Jampie was als eerste aanwezig, zo laat hij een aantal keren weten. ‘Acht uur, ik was hier om acht uur. Acht uur was ik hier al’.  

‘En hoe laat is het nu Jampie?’

‘Acht uur, ik was hier om acht uur. Acht uur was ik hier al.’ 

Jampie is niet helemaal in orde.  Altijd opgewekt. Altijd lachend. Maar een ‘slichtpuut’, zoals ze dat in Groningen zeggen. Zuurstofgebrek naar het schijnt.

‘Dat heb je verteld’, gaat de man van middelbare leeftijd verder. ‘Maar hoe laat is het nu?’

‘Noa achten’, kaatst Jampie de bal terug.

De man van middelbare leeftijd blijkt de prater. Bang voor stiltes. Hij geeft dit ook ruiterlijk toe. ‘Ik ben ook op tijd, want hier heb ik nog wat aanspraak, thuis niet.’

Als er aan de tafel een stilte dreigt te vallen, haalt de man diep adem. ‘Joa, zo is’t.’

Vervolgens steekt hij een verhaal af vol open deuren. Over de droogte, over het feit dat alles duurder wordt en over zijn kwaaltjes.’

Terwijl ik weggedoken zit in een tijdschrift, gaan de gesprekken verder over een aantal dorpsgenoten, die ook ‘hail wat mitmoakt hebben.’

De gesprekspartners-tegen-wil-en-dank beamen dit. ‘Joa man, ’t is wat, nait best.’

Op gezette tijden worden de gesprekken onderbroken door een moeder, die haar kroost naar de kinderopvang, even verderop in het gebouw, brengt. ‘Goedemorgen’ klinkt het opgewekt.

Als de telgen zijn afgeleverd en de moeder uit zicht is verdwenen, begint het gissen. ‘Dat is toch aine van Wiegers, dij mit Bruggers trouwd is?’

‘Nee man, dat is Willeke van Joap en Greetje.’

‘Is dij al zo groot?’

‘Joa man, tied gait snel.’

‘Vrouger deden wie dat nait, noar zo’n kienderopvang. Toun waren moekes nog echte moekes.’

‘Joa man, ’t is wat teegnwoordig’

Ik kijk op, zie dat het mijn beurt is om naar de Certe-mevrouw te gaan. Na een aantal pogingen, lukt het haar niet om bloed uit mijn aderen te krijgen. 

‘Het lukt niet, sorry. Volgende week nieuwe poging?’

‘Is goed, gezellig’

Ik loop de kamer uit, langs de tafel met wachtenden en voel hun blikken in mijn rug priemen.

‘Wel is dat. Kinst du hom?’

Arjan Brondijk
 


Auteur

arjan.brondijk