De juffertorens in Schildwolde en Onstwedde blijven een raadsel

Ze blijven fascineren: de twee juffertorens die al eeuwen in Onstwedde en Schildwolde staan. Er is een fraaie legende over de ontstaansgeschiedenis en er is het raadsel van de gemetselde spitsen.

De provincie Groningen had er, ooit, in ieder geval drie. Ook in Holwierde stond, net als in Schildwolde en Onstwedde, een zogeheten juffertoren. De kenmerken zijn een slanke spits en stenen in plaats van pannen als dakbedekking.

Er zijn twee lezingen over het waarom van de naam. De meest waarschijnlijke is dat een juffer een lange spits toelopende dennenboom is en dat de daarop gelijkende torens in Onstwedde, onderdeel van de Nicolaaskerk, en Schildwolde, naast de hervormde kerk, daarom zo heten. Maar de legende is mooier.

Drie rijke zussen

Het verhaal, zoals opgetekend in het boek van K. ter Laan, wil dat er lang geleden drie rijke zussen leefden. Ze brachten de dagen door met feesten en dansen. Tot ze beseften dat het bestaan wel wat leeg was. Egoïstisch ook. In plaats van met het geld goede dingen te doen voor de samenleving, verjubelden ze hun kapitaal.

De vrouwen gingen elk een kant op, zodat ze geen slechte invloed meer op elkaar hadden en besloten hun leven te wijden aan God. De dames zouden, op de plekken waar ze zich vestigden, drie exact gelijke torens bouwen.

Toren van Holwierde

De toren van Holwierde stortte in 1836 in na een brand en werd in 1855 gesloopt, maar de twee in Schildwolde en Onstwedde houden al eeuwen stand. Dat de sage in ieder geval niet helemaal klopt is in één oogopslag te zien, want de overgebleven juffertorens lijken totaal niet op elkaar.

Wat ze wel gemeen hebben is een gemetselde spits en dat is nog steeds een raadsel, want niemand weet waarom stenen zijn gebruikt en geen dakpannen, zoals gebruikelijk.

Gemetselde spits

Een gemetselde spits is overigens niet typisch Gronings. In ons land staan tientallen, onder meer in Friesland en in Noord-Holland, zoals op het voormalig eiland Wieringen. Ter Laan schrijft ook dat er drie ‘geheel gelijke’ juffertorens hebben gestaan in Doornspijk (afgebroken in 1826 na een watersnood), het Gelderse Oosterwolde (in 1844 afgebroken) en Kamperveen (gesloopt in 1859).

Klaas Meijer, de historicus van Onstwedde, heeft geen sluitende verklaring voor de gemetselde spits van de Nicolaaskerk: ,,Een voor de hand liggende verklaring is dat materiaal werd gebruikt dat dichtbij voorhanden was. Ten tijde van de bouw stonden op de Tichelberg, een leembult net buiten het dorp, steenovens. Het was ook voortreffelijke leem. In die tijd waren de transportmogelijkheden nog niet zo geweldig, dus wellicht dat daarom is gekozen voor steen.’’

Uit het lood

De juffertoren in Onstwedde, waar in de vijftiende eeuw een kerk tegenaan werd gebouwd, begon in de elfde, of twaalfde eeuw als donjon, een versterkte woontoren. De 42 meter hoge gemetselde spits heeft een draaiing bij de punt. Daardoor lijkt hij ‘uit het lood’ te staan, maar metingen door de eeuwen heen wezen uit dat het niet zo is.

Het scheelde overigens niet veel of Onstwedde had geen gemetselde spits meer gehad. Bij de restauratie van 1895, een van de vele in de geschiedenis van het bouwwerk, adviseerde dr. Pierre Cuypers, architect van het Rijksmuseum en het Centraal Station in Amsterdam, om de stenen spits, die in erbarmelijke staat verkeerde, te vervangen door een houten, bedekt met leiplaten. Maar het advies werd om onbekende redenen terzijde gelegd.

Stichting Oude Groninger Kerken

Jur Bekooy is bouwkundige van Stichting Oude Groninger Kerken. Torens en kerkgebouwen in Onstwedde en Schildwolde zijn geen eigendom van die organisatie, maar als deskundige zou hij het raadsel kunnen ontraadselen. Ook Bekooy moet het antwoord schuldig blijven.

,,Ik zou het niet weten. Constructief gezien is het onlogisch, vooral met betrekking tot de waterafvoer. Bij dakpannen loopt de regen vanaf, maar bij een gemetselde spits gaat water in de voegen zitten. De kans bestaat dat het heel nat wordt binnen. Wat ik me wel kan voorstellen is dat een opdrachtgever iets bijzonders wilde.’’

Ondoorgrondelijk

Duurzaamheid kan volgens hem hebben meegespeeld: ,,Steen rot niet en gaat langer mee dan hout. Het kan een verklaring zijn, maar ik kan dat niet met zekerheid zeggen. De denkwijze van bouwkundigen zijn door de eeuwen soms ondoorgrondelijk gebleken.’’

Materiaal dichtbij voorhanden lijkt eveneens de reden te zijn in Schildwolde, maar zowel Bart Fokkens, secretaris van Stichting Juffertoren Schildwolde, als Johannes Bennenga, die alles van de toren weet, houden een slag om de arm. Al heeft er mogelijk een steenfabriek bij de kerk gestaan.

Achtkantige spits

De achtkantige torenspits, voor het eerst beschreven in 1224, is opgetrokken uit roodoranje stenen, kloostermoppen, alsmede een enkele laag tufsteen. Bennenga: ,,Het is mij echter niet bekend waar die fabriek precies stond. Waar nu het sportcomplex is van voetbalclub SGV liep ooit een kanaal, voor aanvoer van materiaal om stenen te bakken. Dus het zou kunnen. Steen is ook minder onderhoudsgevoelig en brandgevaarlijk.’’

Hij is zijn hele leven al gefascineerd door de Schildwolder toren, net als die in Onstwedde een baken voor dorp en omgeving. Zijn opa en overopa waren klokluiders en hij ging vaak mee. Een enkele keer, als zij geen tijd hadden, mocht hij het doen.

Duiven en kraaien

Johan Bennenga ving ook duiven en kraaien. De vogels kwamen door gaten in het gaas van de galmgaten naar binnen, maar konden niet meer naar buiten. Om te voorkomen dat ze verhongerden werden ze gevangen en weer vrijgelaten.

Wonderlijk genoeg (‘had ik geen tijd voor’) deed hij nooit mee aan de ‘kloksmeer’. Een honderden jaren oude traditie die nog steeds bestaat. Niet-gehuwde jongemannen luidden de grote en kleine klok onafgebroken tijdens de jaarwisseling, van acht uur ’s avonds op oudejaarsdag tot acht uur in de ochtend op nieuwjaarsdag, onder het genot van een hapje en een drankje.

In de glimmende bol

De toren, in Schildwolde losstaand van de kerk, is al tien keer gerestaureerd, in 1940/1941 zeer grondig. De laatste opknapbeurt dateert van 2013. Daarbij is alle informatie over geschiedenis en restauraties in waterdichte kokers opgeslagen in de glimmende bol onder het paard op de spits.

Bennenga verzorgt rondleidingen in de toren. Omdat niet elke bezoeker naar boven kan maakt hij een twintig minuten durende film. De legende van de drie juffen ontbreekt uiteraard niet, maar hij vertelt ook over het verkeerde jaartal op de zijkant en die andere legende.

1289 of 1829?

Op de Schildwolder toren staat 1289: ,,Dat klopt niet. De toren is in 1827 vijf keer geraakt door bliksem, bij een ‘onweder over Schildwolde’, zoals in de archieven omschreven. Om de schadeherstel te herdenken kwam er een jaartal op de zijkant. De middelste cijfers zijn per ongeluk omgewisseld, dus staat er 1289, in plaats van 1829.’’

De juffertoren in Schildwolde meet 48,8 meter van de grond waar hij op staat en is daarmee een meter of tien hoger dan die in Onstwedde.

De andere legende

Benninga: ,,Het verhaal dat in Schildwolde wordt verteld is dat Onstwedde net zo’n toren als hier wilde en dat jongemannen een kijkje kwamen nemen en vooral: meten. De breedte en zo was geen punt, de hoogte wel. Dat werd vastgesteld met een stuk touw. Na gedane arbeid was er een gezamenlijke borrel en toen hebben de Schildwolders een stuk van het hoogtetouw afgeknipt, zodat die in Onstwedde tien meter kleiner is dan die in Schildwolde.’’