Klots - Dorpshuis (column David Stolk)

Tot mijn verbazing las ik een stuk op de site van RTV Noord dat theater De Klinker nog nauwer wil gaan samenwerken met het zieltogende Molenberg in Delfzijl. Althans zieltogend, het pand waarin het theater is gevestigd heeft zijn beste tijd gehad.

Ook de lokale afdeling van de Partij voor het Noorden heeft die wens ook geuit. Dat wordt een logge, bureaucratische stichting die meerdere theaters gaat aansturen om zodoende te gaan korten op de overhead. Hoe topzwaar wil je een organisatie maken?

Mijn roots liggen in een klein dorp. In dat dorp stond een dorpshuis. Alles in of rondom het dorp speelde zich af in het gebouw met de pakkende naam ’t Trefpunt. De bazaar van de voetbalvereniging was er. De toneelclubs, de gymvereniging en de scholen hadden er hun jaarlijkse uitvoeringen en alle verenigingen en clubs kwamen er samen of vergaderden in het dorpshuis. Het was in gemeentelijke handen en het werd bestierd door de goedlachse Rika en gastheer Anne.

De bouw van het theater in Winschoten heeft heel wat voeten in de aarde gehad. Het moest en zou er komen. Nu staat er een prachtig theater, met schitterende zalen, een immense bibliotheek, een geweldig Kunstencentrum en zelfs een heuse radio- en televisiestudio. Het heeft alles in huis om de gehele bevolking van het Oldambt te faciliteren in hun al dan niet culturele behoeftes. De Klinker zou men moeten zien als een groot dorpshuis. Het kloppend culturele hart van de regio. Daar gebeurt het.

Mijn angst is dat de eigen identiteit volledig verloren gaat in een nieuwe ambtelijke organisatie. Wat maakt een regionaal theater juist succesvol? Juist de eigen karakteristieke identiteit met een eigenzinnige voorman die op de barricades staat. Een organisatie dat zijn eigen kop volgt en tegen de macht van grote boekingskantoren en artiesten ingaat. Dat zijn eigen evenementen organiseert en ruimte biedt aan alle clubs en verenigingen in de regio en die ruimhartig faciliteren. Zo kweek je goodwill bij de mensen die feitelijk alles hebben betaald.

Al sinds de plannen voor de bouw van de nieuwe bonbonnière in Winschoten gaat het over kosten en budgetten. Nu het theater er eenmaal staat, moet de gehele bevolking er ook het beste van maken. Waarom zou je dure producties naar Winschoten halen die amper 100 bezoekers trekken. Dan sponsor je feitelijk de grote kantoren aan de grachten van Amsterdam. Op dat soort zaken zou heel veel op bezuinigd kunnen worden. En natuurlijk moet je de bevolking cultureel opvoeden, maar dat kan met veel minder.

Voormalig directeur Gerard Schenk boekte ook weleens voorstellingen waarbij meer mensen op het podium stonden dan er in de zaal zaten. Dat gebeurt en dat mag af en toe wat kosten. Zo werkt cultuur. Meer bureaucratie betekent vaak meer kosten en het verlies van een gezicht. U was een fijn publiek!