Saartje werd in 1943 in Auschwitz vermoord. Haar briefkaart is nu onderdeel van een gedenkteken bij het station in Haren

Gedenktekens bij de spoorwegstations in Haren en Assen herinneren sinds vrijdag aan de meer dan 100.000 Joden die in goederenwagons van Westerbork via Assen, Onnen, Haren en Nieuweschans naar de vernietigingskampen in Duitsland werden vervoerd.

14 september 1943. Saartje Turksma-Cohen is een van de 1005 mensen in de goederenwagons die uit Westerbork vertrekken. Ze was directeur van het Tehuis voor Israëlitische Ouden Lieden in Arnhem. Ze schrijft een boodschap op een kaartje en gooit dit tijdens de reis naar buiten.

‘Beste fam. Stuurman,

Wij vertrekken nu naar het onbekende hopen als de vrede er is, dat men ons zoo gauw mogelijk laat terugkomen. Groeten voor allen bekende, ook voor u zelf het beste van mijn man. Mevr. Turksma – Cohen’

Saartje keerde niet meer terug

Maar ze komt niet terug. Saartje Turksma-Cohen wordt op 17 september 1943 in Auschwitz-Birkenau vermoord. Haar briefkaart is nu onderdeel van het gedenkteken dat vrijdag bij het station in Haren is geplaatst. Het herinnert aan de duizenden Joden die via de ‘route van vervolging’ (Assen, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Zuidbroek, Winschoten, Nieuweschans, Bunde, Weener en Leer) naar de kampen verdwenen. Ook in Assen vond een onthulling plaats.

Johan Petersen (86) speelde als kind langs het spoor in Haren en raapte de briefkaarten en berichtjes op die uit de trein werden gegooid. ,,Die brachten we dan naar de meester en die deed ze dan op de post. Nee, ik zou niet meer weten of ik er ooit een heb gelezen.’’

Wethouder Philip Broeksma (GroenLinks) onthulde de markering met directeur Gerdien Verschoor van Herinneringscentrum Kamp Westerbork en initiatiefnemer Jaap Beintema (86). Broeksma haalde de woorden van spoorwegmedewerker Lukas Rutgers aan. De 18-jarige Rutgers werkte op het rangeerterrein van Onnen-Haren Hij zag hoe de treinen uit Westerbork op vaste dagen stopten en dat er briefkaarten naar buiten werden gegooid. De medewerkers raapten ze op en deden ze op de post.

‘De trein: een lange schurftige slang van oude, smerige wagens’

Directeur Verschoor citeerde de journalist Philips Mechanicus die in zijn dagboek In Depot van 28 mei 1943 tot 28 februari 1944 het dagelijks leven in het doorgangskamp beschrijft. ‘Alsof ik als officieel reporter een schipbreuk versla’, zo schrijft hij. En ook: ‘De transporten blijven walging wekken. Zij geschiedden in werkelijkheid in beestenwagens, die bestemd zijn voor het vervoer van paarden. De gedeporteerden liggen ook niet meer op stro, maar tussen hun eetzakken en kleine bagage in op de blote vloer, nu óók de zieken die de vorige week nog een matras meekregen. Zij worden omstreeks zeven uur aan de uitgang der barakken verzameld door OD-ers en in rijen van drie naar de trein gebracht, aan de Boulevard des Misères, midden in het kamp. De trein: een lange schurftige slang, van oude, smerige wagens, die het kamp in tweeën scheidt.’

De journalist gaat op 15 maart 1944 op transport, eerst naar Bergen-Belsen en in oktober naar Auschwitz-Birkenau waar hij wordt gefusilleerd.