De tijd van toen, waar is ze gebleven? Onderwijs in Nieuwe Pekela

Joop Bondrager, Henk Snakenborg en Bert Panneman, beheerders van de Facebookpagina De Roegbainders, tonen op gezette tijden oude beelden van Nieuwe of Boven Pekela. Dit keer onderwijs in Nieuwe Pekela.

Er zijn weinig gegevens bekend over het onderwijs in Nieuwe Pekela uit de periode vanaf 1704 tot circa 1808. Doordat de Stadsregering de onderwijzer benoemde en ook instrueerde is er iets bekend, maar veel meer dan wat algemeenheden zullen hier over het Pekelder schooltje bij de toren niet worden beschreven.

Het is wel zeker dat het gebouwtje dat in 1704 of kort daarna aan het Pekelder Diep verrees slechts een lokaal had. Meester Harmannus Jans(en) Mulder moest daarin aan een zeer wisselend gezelschap van leerlingen les geven. Hij zal dat gedaan hebben op de in zijn tijd gebruikelijke methode, waarin 'geene geregelde orde, nog een geregeld plan plan van onderwijs in acht genomen wordt'. En ook de Pekelder onderwijzer zal wel niet uitgekomen zijn boven de kwalificatie die later de bekende Oudepekelder schoolmeester en schoolhervormer Hendrik Wester van het onderwijs gaf: ongeschikte schoolboeken, onbekwame onderwijzers, gebrekkig onderwijs.

Onderwijs verliep chaotisch

Het is alleszins redelijk om aan te nemen dat ook het onderwijs aan het Pekelder schooltje chaotisch verliep. Er zijn rapporten waarin is genoteerd 'dat in de scholen een verward gebrom en geraas door het samen praten, het overluid leeren en rabbelen van de lessen enz, enz. Zoo dat iemand op eenen vrij goeden afstand op de straat, zoo de school in een der voorvertrekken van het huis gehouden wordt, dezelve reeds van verre gewaar wordt'. Een weinig verheffend beeld dus. Maar wat wil men ook anders. Het onderwijs mocht geen cent kosten, een onderwijzersopleiding was er niet, het schoolgaan was afhankelijk van het besef van de ouders of het onderwijs al of niet nuttig was, het toezicht op het onderwijs werd gehouden door de kerkvoogden die misschien wel van goede wil, maar niet altijd even bekwaam waren.

En dan waren er de weinig effectieve leermethoden, zoals voor het leren lezen het roemruchte Haneboek. Meester gaf hoofdelijk les, een zeer individuele benadering dus. Gezeten hoog verheven, achter zijn lessenaar, liet hij nu het ene, dan weer het andere kind bij zich komen. Dit mocht dan de les, vermoedelijk op een dreun opzeggen. Dat dit de schoolgenoten stoorde, spreekt vanzelf. Zij immers waren bezig met het leren van hun lessen. Dat deden ze min of meer hardop. Als de meester iets aan de leerlingen die 'rondom zijne zitplaats' verzameld waren uitlegde, verwachte hij dat de anderen ongestoord verder gingen met hun oefeningen. Dat dat niet altijd gebeurde hoeft nauwelijks te worden vermeld. Meester had echter plak en roede om corrigerend op te treden.

Toenemende belangstelling

In de tweede helft van de achttiende eeuw was er sprake van een toenemende belangstelling voor het onderwijs. Eerst van particuliere zijde, tegen het eind van de eeuw ook van regeringswege, werden er denkbeelden over en plannen voor verbetering en vernieuwing van het onderwijs gelanceerd. Een nieuwe geestelijke stroming, de Verlichting, kende aan het onderwijs grote waarde toe. Onkunde zag men als de bron van zedeloosheid. 'Kennis is deugd', zeiden de mannen van de Verlichting. Het was de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen die zich in ons land opwierp als de grote vijand van de onwetendheid en zich inzette voor het onderwijs aan de leerlingen en hun meesters.

Bron: De Openbare School in het centrum van Nieuwe Pekela.