Klots - Wachtkamer (column David Stolk)

Door diverse coronamaatregelen zijn de wachttijden in de wachtkamers van het ziekenhuis flink afgenomen. Echter, enige tientallen minuten wordt het geduld nog wel op de proef gesteld. Volgens mij kent iedereen het fenomeen. Of het gebeurt mij altijd: iemand die luidruchtig de wachtkamer binnenkomt en met iedereen een praatje pleegt te maken.

Bij binnenkomst merk ik het altijd al. Zo ook de afgelopen week in de röntgenwachtkamer in het OZG.

‘Goeiedag even!’ De man komt op krukken binnen en begroet alle aanwezigen. Hij praat luidruchtig met zijn vrouw. Over zijn ongeluk vooral en over het feit dat zijn onderbeen er ‘andersom op zat’, aldus zijn uitleg. Ik wacht op zijn eerste slachtoffer en ik hoop dat ik het niet ben. Niet veel later slaak ik een zucht van verluchting.

‘Dat is een bekend gezicht, woar ken ik die van? Winschoten?’ Roept de man naar de andere man tegenover hem. Ik gniffel ongemakkelijk in mijn elleboog. Net alsof ik kuch. ‘Nee, gain Winschoten’, zegt de oudere man. ‘Woarvan den, tou even!’, zegt de gespreksleider. ‘Avebe?’ ‘Joa dat is 't, doar heb ik schoonmokt.’

De man, die tegen wil en dank gespreksonderwerp is geworden, probeert een kleine geschiedenis van Avebe en zijn werkzame leven aldaar te vertellen. Namen vliegen over en weer. ‘Johan? Kist doe Johan nog?’ ‘Dij regelde die boudel doar!’ Hij kent Johan niet. ‘Ah jawel, dij kist doe wel!’ De man weet echt niet wie Johan was. De gespreksleider luistert niet naar de man tegenover hem. ‘En noa d’ Avebe bin ik op de grote voart goan’, gaat hij onverstoord verder. ‘Eerst as matroos, loater as kapitein!’ Dat laatste geloof ik niet en ik laat dat misschien iets te luid blijken.

Zodoende word ik zijn volgende slachtoffer. Ik heb spijt. ‘Dij man kin ook wel een tik op zien knij broeken.’ Grapt de man al wijzend naar mijn dikke knie. ‘Ik zou het niet doen, als ik u was’, sneer ik terug. Al snel moet ik uitleggen hoe het ongeluk gebeurd is. Wederom luistert hij niet naar het antwoord. ‘Ik ben oafkeurd gelukkig, moar ik heb twij honden, dus gain tied om in 't zaikenhoes te liggen.’

‘Meneer Stolk?’ Mijn naam wordt omgeroepen. De roep komt als een bevrijding. ‘Oh, bist nou al aan beurt? Ook even op pasfoto dus?’

Ik groet de mensen in de wachtkamer, hopende dat ik de man nooit meer tegen zal komen. Die middag doe ik een kleine boodschap in de vriendelijke buurtsuper in Winschoten-Zuid. Voor de pakken spaghetti en macaroni, scheurt een scootmobiel door de gangpaden. Zonder een zekere vorm van gepaste afstand. Ik herken de man uit het ziekenhuis. ‘Moi’, zeg ik allervriendelijkst.

Hij kijkt niet op en hij herkent mij niet. ‘Ik mot aluminiumfolie hebben, ze motten mie bie de kassa moar helpen, zo lukt dat nait.’ Hij scheurt verder. Verderop bij de kassa dringt hij voor. Hij roept dat hij aluminiumfolie moet hebben. De leuke kassadame
heeft het tafereel gadegeslagen en komt aanlopen met een rol folie. ‘Hier André,’ zegt ze. ‘Moi hè!’