Het verleden van Pekela. De tijd van toen, waar is ze gebleven?

Joop Bondrager, Henk Snakenborg en Bert Panneman, beheerders van de Facebookpagina De Roegbainders, tonen op gezette tijden oude beelden van Nieuwe of Boven Pekela. Dit keer: Bijnamen en rare verhalen geven Pekela kleur.

Pieter Moatje, Harm Proeke, Triene Minuut, Hendrik Muggenhapper, Oetjeboe, Be Boebaai en Bertus Hardbroodje lijken voor veel mensen op het eerste gezicht een rijtje nietszeggende namen uit een ver verleden. Een rijtje namen van mensen die bekend stond als roeg en rauw en mensen waar je aan kon ruiken waar ze vandaan kwamen. Immers, de kenmerkende odeur van het Pekelderdiep zorgde er niet zelden voor dat de neus werd opgehaald bij de binnenkomst van weer zo'n roegbainder uit het oosten van de provincie. Toch zijn het namen die onlosmakelijk zijn verbonden met de lange historie van de beide Pekela's.

De kernen van de strokarton

Natuurlijk kent iedere plaats z'n types en uitdrukkingen, maar vrijwel nergens zijn namen zo verbasterd als in de kernen van de strokarton, de turfstekers en de landarbeiders. Namen die van generatie op generatie overgaan en namen die toevallig ontstaan na een uitspraak of voorval. Zo werd ene Harm die op een feest luidkeels om een roomsoes vroeg, tot in lengte van jaren Harm Roomhoorn genoemd en het feit dat iemand onder het fietsen de kaken heen en weer bewoog, was voor de Pekelders reden om mans naam in Hendrik Muggenhapper te veranderen. Jetske die op haar fiets werd nageroepen, Letje Boekou, Pieter Moatje, Reute, Fieke Norre, de scheepsjager Lorrie, die door z'n paard van de kroeg naar huis werd gebracht, Gier mie dood. Ieder naam heeft z'n eigen verhaal en ieder verhaal heeft zijn eigen naam.

Allemaal gebeurtenissen die een beeld geven van vierhonderd jaar Pekela. Een beeld van de roege fabrieksarbeiders uit Oude Pekela en een beeld van de meer beschaafden, in Nieuwe Pekela. Het karakteriseert ook een beetje de aard van de bevolking: hard, eerlijk en af en toe een beetje zonderling. En het zal niemand verbazen dat deze zonderlingen in de rijke historie een belangrijke rol hebben gespeeld.

Hou liekt, ist al dreug?

Het feit dat sommige gebeurtenissen nog steeds de ronde doen, zegt veel over de voorliefde voor de geschiedenis. Zo is bij veel Pekelders ook nog steeds het verhaal bekend over de jongen die in de begrafeniskoets kroop. De belhamel dacht onder de rouwkleden van de rijdende koets een mooie schuilplaats te hebben gevonden, maar al gauw verveelde het langzame tempo en het getik van de stromende regen. Nieuwsgierig naar de weersgesteldheid kroop hij naar voren en met de woorden 'Hou liekt, ist al dreug?' tikte hij de koetsier op de schouder. De leidsman in kwestie slaakte een enorme kreet van schrik en het scheelde niet veel of de lijkwagen raakte met kist en al van de weg. Het voorval was uiteraard reden voor rijksveldwachter Derksen om met zijnn glimmende kostuum de zaak tot op de bodem uit te zoeken.

Bron: Pekela, 400 jaar op de kaart (18 juni 1999).