Klots - Demonstreren (column David Stolk)

Afgelopen vrijdag was het een tropische dag. Een uit het boekje. De barbecuepakketten waren rap uitverkocht en ik zag slager Nomden gutsend van het zweet in zijn oude VW-bus alle kanten van het Oldambt op rijden. Ook raakten de opblaasbare zwembadjes snel uitverkocht hoewel het water in Blauwestad twintig centimeter was gedaald.

Het water spoot in de achtertuin de tuinslang uit om het Oldambtmeer bij te vullen. Het werd een probleem. De boze witte mannen uit de villawijk werden bozer en gefrustreerder. Door de lage waterstand was het nauwelijks nog mogelijk al dobberend in een sloep een paar flessen Chardonnay achterover te slaan. Er was zelfs een demonstratie gepland, Blue Life Matters, maar deze was door de provincie verboden. De provincie? De gemeente gaat daar toch over? Nou, in Blauwestad niet.

Op deze warmste dag sprak ik een vriend. Deze vriend is zwart. Ik deug dus. Hij en ik maken altijd grappen over en vooral ten koste van elkaar. Wij zaten bijvoorbeeld een keer op een terras. Ik zag bij hem een wit pigmentvlekje. ‘Volgende keer beter afschminken, hè!’ Hij proestte zijn biertje over tafel. Wij kregen het gesprek op een wederzijdse vriendin. Ik vertelde hem dat zij aan het werk was. Hij zuchtte hardop. ‘Met dit weer werk je toch niet, dan lig je onder een palmboom.’ Ik antwoordde dat men in het land waar hij vandaan komt, juist door deze instelling 250 jaar achterloopt. Gierend van het lachen namen wij afscheid. ‘Ik kom uit Pekel,’ riep hij nog na.

Op dezelfde dag, laat in de zwoele avond, kreeg ik wroeging. Over mijn gedrag ten opzichte van opmerkingen naar mijn vriend. Dit kon niet meer. Dit moest stoppen. Ik zet een hele bevolkingsgroep weg, alleen omdat wij twee minuten willen lachen. Daar hebben mensen dus last van. Wij kunnen beter twee minuten stil zijn. Om aan de slachtoffers te denken van ons geprivilegieerde leventje. Ik besloot de volgende dag actie te gaan ondernemen.

Samen met mijn zwarte vriend ging ik op hoge poten naar het gemeentehuis. Wij wilden een demonstratie organiseren. Of dat mocht? Op de vraag waarvoor wij dan precies gingen demonstreren, hadden wij geen antwoord. ‘Gewoon om te demonstreren. Voor of tegen racisme. Voor het leven! Met elkaar!’ De ambtenaar van dienst schudde zijn hoofd en vertelde dat dat niet kon. Wij moesten wel ergens tegen demonstreren. En als het voor een linksdraaiend doel was, goede kans dat de burgemeester blind akkoord geeft. ‘Het is hier net Amsterdam,’ lachte de ambtenaar.

Waar wilden wij demonstreren? Op het Marktplein? Dat kon op voorhand niet, want op de brandweerroutes staat nu menig terras. Nee, wij wilden naar Blauwestad. Daar was nog een podium over omdat Pura Vida was afgelast. De ambtenaar keek direct op. Hij brieste dat zij daar niet over gaan. Onmogelijk. Dan moesten wij bij de provincie zijn. Maar hij gaf ons weinig kans. ‘Bang voor overlast en glas in het water,’ vertelde de ambtenaar. ‘En ze hebben het daar al moeilijk genoeg, zonder bootje!’