Klots - Oldambtster Boerenhollands (column David Stolk)

Af en toe krijg ik een whatsapp bericht van mijn dochter. Vaak heeft ze iets nodig of ze meldt hoe laat zij waar is. Onlangs kreeg ik het bericht: ‘Ey niffauw fakka man.’ Ik had geen idee. Ik dacht meteen weer het ergste. Dat het iets te maken zou hebben met de manier waarop er kinderen worden geproduceerd. Gelukkig was niets minder waar.

Hee vriend, hoe gaat het?’ Dat is de onschuldige betekenis van het bericht. Nu kun je er natuurlijk van alles van vinden dat een dochter haar vader op die manier aanspreekt, maar ik ben allang blij. Een halfvol glas. ‘Count your blessings.’

Mijn ouders komen niet van hier. Zij zijn zogenaamd ‘import’, derhalve ben ik niet opgegroeid in het dialect. Mijn stiefvader, echter, bezigt de Groningse taal doorgaans. En op de een of andere manier vind ik dat prettig. En nee, dat is geen geknauw en het is ook niet zeurderig. Want dat kan het dialect wel degelijk zijn. Zoals Ede Staal het ooit, lang geleden, al zong: ‘Van Westerwol tot Hooge Laand, ja, elke streek zien aigen variant.’ In Nieuwolda en omstreken heeft men de neiging om achter elk woord een zeurende ‘e’ te plakken. (De volgende zin is fonetisch opgeschreven). ‘Hebbne’, ‘schoule’, ‘stoete’, ‘brogge stoule’. Een andere variatie die ooit ontstaan is in het Oldambt, is het Oldambtster Boerenhollands. En eigenlijk vind ik dat de leukste variant.

In vervlogen tijden waren de boeren (akkerbouwers) nog mensen van stand. Zij stonden hoog in aanzien. Zij verschaften veel werkgelegenheid en in sommige gevallen deden zij veel goed voor de dorpen. Er werden grootse boerderijen gebouwd met veel pracht, praal en slingertuinen. De dames van de boeren ‘vernuiverden’ zich met lezingen, toneelspel, boekenkringen en anderzijds vertier. Bij het hoge aanzien van vooral de dames hoorde natuurlijk geen Groningse taal. Daarom zijn zij Gronings Nederlands gaan praten. En nog steeds hoor ik dat af en toe.

Laatst hoorde ik een oud-wethouder zeggen: ‘Komt u maar naar voren hoor, u, met die buisdoek om de hals toe.’ Onlangs hoorde ik iemand zeggen die het eten klaar had: ‘Bist al klaar, hest werk al daan?’ Helaas hoor ik het niet vaak meer. Een paar jaar geleden bij de uitvoering van de Rederijkerskamer ‘Vooruitgang’ hoorde ik nog een vlaag aan de bar. De ene vrouw met plooirok zei tegen de andere: ‘Heb nieuwe kleren kocht, ben ik even naar Stad weest.’ De andere dame: ‘Zo ver heel, dat meenst niet?’ Ik genoot.

Na het bericht van mijn dochter moest ik lang nadenken wat ik terug zou schrijven. Zij verstaat de Groningse taal maar als zij het spreekt wordt het altijd grappig gemaakt. Een soort Jochem Myjer-achtige manier van Gronings praten met een natte ‘t’. ‘Oooh moest eens kijken Tsttssammo, een tsstttijijijijguuuur!’ Ik wist het ineens. Ik ken ook straattaal, maar dan van meer dan een eeuw geleden. Het ‘Sodoms’. Ik stuurde terug: ‘Mazzeltof, ik flam oet de kokert, bin macholle. Dus lau loene!’