Bert van Vondel - Saunakapje (ingezonden)

Lekker relaxed hang ik in adamskostuum onderuit in het royale binnenbad van de Thermen, even bijkomen. Vooraf net heerlijk op stoom gekomen in een van de nagenoeg lege cabine’s, druk doende m’n immuunsysteem te boosten, want dat is nu wel nodig, en kijk naar hoe het personeel druk doende is met onderhoud van de binnen & buitenboel.

In aantal overtreffen ze ruim het aantal bezoekers. Het is verrekte leeg in het anders zo goed gevulde complex en daar waar honderden ongemerkt in verzwolgen & ondergebracht worden, spetteren en zweten nu iets van 9 mensen. Dat kan nooit rendabel zijn en ik zou niet graag in de schoenen staan van de mensen die hun inkomen hieruit moeten zien te halen.

Een in bedrijfskleuren gestoken jonge blonde langstaartdeerne loopt – compleet met papieren mondkap op – door de stoomwolkruimte rond het binnenbad en spuit wat uit een flacon op een aan de muur hangende reinigerspomp. Verder heeft ze geen ruk te doen en voor ze verder loopt spreek ik haar aan en vraag haar of dat nut heeft, dat rondsproeien in de sauna compleet met een door stoom en damp vollopend kapje op de kop.

Ze hurkt aan de zijkant van het bad, sluit haar ogen en zucht, nee! Het is benauwend met zo’n lap voor je mond en een virus daarmee stoppen of elimineren, neuh.. daar had ze geen vertrouwen, niet dat ze een of ander Wappie, Woopie of Virusontkenner was, haar verstand zei duidelijk nee, maar ja, zemoeswel, de baaswougeenboete … Befehl ist Befehl.

Ter verduidelijking vertelde ze wat over haar eigen leven & geschiedenis, over besmetting wist ze wel het een en ander te vertellen. Een van haar ouders had op enig moment TBC opgelopen, hoezo besmettelijk en overdraagbaar en nee, je hoefde niet zelf ziek zwak of misselijk te zijn om dat over te nemen. Het heeft wel even geduurd voordat DAT overwonnen was en ja, ze wist wat het was om voorzichtig te zijn om niet besmet te worden.

In een flits gleed ik terug in tijd toen ikzelf na een open hartoperatie in een Gronings Sanatorium weer online gebracht moest worden. Omringd met mensen waaraan heftig sleutelwerk verricht was scholen we samen op de kamer achteraan. 

M’n overbuurman 1,5 meter verderop had al even aan Gene Zijde geloerd maar goed voor hem hadden ze zijn motor toch weer op slag gekregen. Voor hem geen six-foot-down-under maar mocht hij voorlopig weer mee doen, een kamer verderop idem dito. Een kerel jonger als ik die in de sportschool doodgevallen was maar waar ze gelukkig een reanimatieapparaat hadden hangen – en ook nog wisten hoe dat ding werkte.

Verderop een begin veertiger die ze een vette occasion hadden ingebouwd, een tweedehandsje, dat dan weer wel, maar hij klopte aardig. Allemaal niet bepaald in uiterste staat van weerbaarheid verkerend hadden we nog een hele weg te gaan voor we bijvoorbeeld weer voldoende longcapaciteit hadden opgebouwd. Rustig aan maar dan wel vlot een beetje, vooruit met de geit, doodgaan kan altijd nog. Elke dag op de been, kleine stukjes lopen maar geen trap af-of-op, nep-fietswielen, maar dan aan de monitor, samen pijpen, dus zuigen aan dat kreng, adem in-adem-uit.

Humor bracht ontspanning en vertrouwen, dat gaf hopen hoop en energie. Met in tape gerolde doeken stevig op de ribben, bovenop die verse jaap, om je longen en de ribben binnenboord te houden. Hortend en stotend naar lucht en adem happend, geregeld met spoed de reddende gang opschuifelend, want geen van ons wilde zich doodlachen.

Maar…, wij waren de lucky-ones, ons glas was nog niet leeg, wij waren de mazzelaars en bof-konten. We kenden allen meerderen die ondanks alle inspanningen van het specialistenteam het geluk niet mochten proeven, voor hen was ’t Game Over. Zoals m’n buurnimf-van-een-nacht, van pak ‘m beet een jaar of acht ouder als ik. De nacht vooraf rusteloos murmelend over een gebedenboek kreeg zij die ochtend een fikse beurt, ze bleef erin. Of dan m’n plaatsgenoot, die na een geslaagde ingreep, toch niet thuis kwam, maar ja, shit happens, al the time.

Een handjevol van ons, een select groepje, en wij voelden ons echt de Chosen Ones, lagen ter recuperatie opgeslagen in het Sanatorium, maar eenzaam en alleen? Needawarenwenie. Verderop in de gang lagen de longpatiënten, die kon je niet missen, van verre kon je ze al naar adem horen piepen en sissen. Met elkaar nog nooit met zoveel mensen met de meest uiteenlopende aandoeningen in een hok gezeten, ook nog nooit zoveel soorten ziekten – al dan niet exotisch of besmettelijk – op een hoop geharkt gezien, alsof iemand een absurde verzameling disabelen had aangelegd.

Terwijl de blonde langstaartdeerne geduldig gehurkt voor mij zit en ik in adamskostuum heet over de badrand hang te dobberen, denk ik aan m’n tijd in dat prachtig Gronings Sanatorium. Met de hand op mijn eigen hart kan ik zeggen dat mijn leven daar, door alle goede zorgen en het juiste handelen van het meest kundige personeel, weer opnieuw begonnen is, anders had ik zeker en vast al ondergeschoffeld onder de groene mat gelegen.

Ondanks de aanwezigheid alom van de meest besmettelijke ziektes en het na & door de ingreep gemankeerde afweersysteem hebben we geen van allen, nix-nie-nada opgelopen, en dat zonder zo’n ademstokkend vod voor. Hoera we leven nog, dankzij de procedures en protocollen van het Gouden Medisch Team dat daar dagelijks & daadwerkelijk wonderen loopt te verrichten, niet in het laatst in het TBC-paviljoen.

Voor hen een uiterst precair werkje met al die hoestende- en proestende teringlijers die hun uiterst besmettelijke ziekte al spugend, sprekend en ademtochtend door de lucht dwarrelend microscopisch klein overdragen. Personeel, enkel beschermd door goed werkende en daarvoor ontwikkelde medische neus & mondmaskers en niet zoals de blonde langstaartdeerne al aangaf, plichtmatig verstopt achter een boetewerend papieren Saunakapje.