Klots - Opperman (column David Stolk)

Mijn zwager bouwt een nieuw huis. Alweer. Dat is zijn ding. Daar valt hij verder weinig mensen mee lastig, behalve als het erom spant. Door een tweespalt in de planning vroeg hij mij om hulp.

Ik dacht in eerste instantie dat ik hem niet verstond, daarom vroeg ik nog een keer. Maar inderdaad. Hij vroeg of ik hem wilde helpen bij de bouw van zijn nieuwe watervilla aan de boorden van het Oldambtmeer. En dat wist hij zeker. U weet wellicht dat ik niet over twee rechterhanden beschik, maar ik groeide van zijn vertrouwen in mij. Hij riep enthousiast: ‘Dan ben je de opperman!’

Dat klonk mij als muziek in de oren. Ik? In een ver verleden heb ik weleens in de vakantie als dakdekker gewerkt, met als specialisatie isolatiezagen, maar om dan direct als opperman op een koude vrijdag aan het werk te gaan. Teveel eer. Maar ik vond het prima. Dan kon ik mooi het overzicht houden en alle beunhazen, hulpjes, vakmannen en familie aan het werk zetten, terwijl ik in de bouwkeet nauwkeurig de bouwtekeningen zou bestuderen. Leuk! Ik ben erbij.

De realiteit. Op een koude vrijdagmorgen in januari meldde ik mij in het donker op de bouwput. Ik had voor de gelegenheid geen werkschoenen meegenomen, maar wel een bouwhelm. Want die mensen met bouwtekeningen hebben namelijk ook altijd een bouwhelm op. Ik werd begroet door Arie, de metselaar. ‘Moi, komst helpen?’ begroette hij mij. ‘Ja,’ lachte ik enthousiast, ‘Ik ben de opperman.’ Arie zei dat wij eerst koffie gingen drinken. Ik dacht nog: moet hij dat eerst niet met mij overleggen, maar prima, even wennen natuurlijk. Voor iedereen. Na de koffie werd ik verzocht de stenen voor de fundering van pallet naar steiger te sjouwen. De stenen werden ‘voelwaarkers’ genoemd. Ik dacht dat hij ‘ons’ bouwvakkers bedoelde. ‘Maar ik ben de opperman,’ zei ik nog. Later begreep ik dat de opperman vooral oppert. Dat is het sjouwen en aanleveren van benodigde bouwmaterialen. Ik voelde mij vies verneukt.

Na de tweede kop koffie vroeg de voorman / opzichter / zwager, de daadwerkelijke baas van het geheel, aan zijn zoon of hij de wielen uit de container wilde halen. Onder de steiger moesten nog wielen gemonteerd, zodat deze makkelijker te verrijden is. Doodleuk kwam hij met de winterbanden van de auto uit de container lopen. Mijn neefje heeft zijn vaders bouwgenen duidelijk niet. Ook toen hij wilde boren met een kruiskopbitje schaterlachte Arie over de bouwplaats.

Op vrijdag is het op de bouw ‘patatdag’. Dat was volgens Arie de reden dat ik op vrijdag meehielp. Dat klopte ten dele. Na de patat sjouwde ik nog wat stenen, maar de puf en de rek waren er bij mij wel uit. Het was dusdanig koud, dat het plassen een speurtocht werd. Na de middag verliet ik het bouwterrein. Ik vroeg mijn zwager of hij een factuur wilde of moest ik een tikkie sturen? Hij riep: ‘Hufst moandag nait weer kommen!’ Ik zei: ‘Tot vrijdag!’