De iconische ooievaar is van zomergast een standvogel geworden, maar bleef altijd een mensenvogel

Of de vroege aanwezigheid van ooievaars op hun nestpalen, zoals op bijgaande foto in Smeerling, een voorbode is van een coronageboortegolf?

Feit is dat ooievaar een echte mensenvogel is, een vogel die zijn biotoop deelt met de mens, en zich vandaag de dag het jaar rond laat zien.

Veel mensen verbazen zich over de in hun ogen vroege aanwezigheid van deze vogels.

Het geluid van het voorjaar

In ons collectieve geheugen is de ooievaar een trekvogel. In de zomermaanden in Nederland, ‘s winters in Zuid-Europa of Afrika. De terugkomst van de ooievaar, klepperend op zijn Hollandse nest, gold generaties als het geluid van het voorjaar.

In de tweede helft van de vorige eeuw stierf de ooievaar in ons land zo goed als uit. De intensivering van landbouw, waarin steeds minder ruimte was voor kleine prooidieren, was belangrijkste oorzaak. De ooievaar werd een vrijwel niet bestaand fabeldier. In de jaren zestig leefden er nog zo’n twintig exemplaren.

In 1969 startte een fokprogramma en kwam er tegelijkertijd meer aandacht voor het leefgebied van deze iconische vogel. Tot 2004 werden ooievaars in Nederland geherintroduceerd.

Drang tot trekken zit in de genen

De gefokte vogels mengden zich met wilde ooievaars en mede daardoor zijn er twee soorten ooievaars in Nederland ontstaan: blijvers en trekkers. De blijvers overwinteren in Nederland. De trekkers zijn vaak afstammelingen van ‘wilde’ ooievaars. Ook jongen van in ons land gefokte ooievaars trekken in het najaar naar het zuiden. De drang tot trekken zit in de genen.

De voorbije jaren waren de winters zacht en ijsvrij. Ideale overwinteringsomstandigheden voor ooievaars, blauwe reigers, roerdompen, ijsvogels en alle watervogels. Geen reden om nog op de wieken naar het zuiden te gaan. Daarom zien we tegenwoordig het jaarrond ooievaars, maar ook kleinere zangvogels zoals de fitis en tjiftjaf.