Klots - Kwakzalver (column David Stolk)

Als gevolg van de coronacrisis ben ik mij aan het omscholen. Mijn oorspronkelijke plaats van arbeid is nagenoeg al een jaar dicht. Daarnaast neemt de verkoop van mijn boek ook geen vlucht. Dat komt natuurlijk door de sluiting van de boekhandel. Daar vind ik wat van.

Waarom mag een snoepwinkel wel open en een winkel dat de geest verrijkt niet? De logica ontgaat mij. Derhalve ben ik begonnen aan een opleiding voor meester. In het basisonderwijs. Ook mag ik de meester van een groep 7 ondersteunen. Leren en werken. Dat had ik 25 jaar geleden al moeten doen. Hoewel ik nog niet officieel meester ben, word ik door de kinderen al wel meester genoemd. Wel met daarachter mijn voornaam.

Dat had ik niet verwacht. In mijn tijd op de obs Nieuwolda was dat wel anders. Slechts alleen de kleuterjuf werd met juf en dan ook met de voornaam aangesproken. Vooral bij de meesters vanaf klas 3 (nu groep 5) haalde je het niet in je hoofd om meester Johan of Jan te zeggen. Strafwerk in het boekje ‘Hoe is de stand’ was dan het gevolg. Het is een nieuwe tijd. Elke leerling beschikt tegenwoordig over een eigen laptop. Een Chromebook zogeheten. Hierop moeten oefeningen gedaan worden. Taal, spelling en rekenen. Alles wordt online bijgehouden. Hartstikke makkelijk natuurlijk. Als leerkracht hoef je niet veel meer te verzinnen. Zou je denken.

Schrijven met een pen of potlood komt nauwelijks meer voor. Een sporadische juf of meester van de oudere garde deelt nog weleens een stencil uit. Met daarop invuloefeningen. Tot verdriet van de leerlingen. Want wat is er nou leuker om na het voltooien van de opdracht een tabblad te openen met daarop Roblox, Fortnight of andere niet-pedagogische spelletjes?

Mijn eigen stokpaardje, het vak geschiedenis, is een ondergeschoven kindje geworden in het huidige lesaanbod. Dat wordt als extra gezien en vaak komt men er niet aan toe. Ik heb zelf de lesstof doorgenomen en het lesaanbod is meer begrijpend lezen dan de daadwerkelijke geschiedenis. Het hoe en waarom ontbreekt. Laat staan het opdreunen van jaartallen. 1600? Is dat uw nettosalaris? Nee, de slag bij Nieuwpoort. Wat is dat dan? De plaats Heiligerlee wordt nog wel herkend, maar dat daar onze vrijheid is ontstaan, weet niemand.

De leerlingen zijn stuk voor stuk bijzondere mensjes met elk een gebruiksaanwijzing. Dat maakt het vak leuk, denk ik. Bij een toets woordenschat werd ik door mijn favoriete druktemakertje even met de neus op de feiten gedrukt. Nee, ik ben nog geen meester. Ik ben de titel schijnbaar nog onwaardig. Op de vraag wat een kwakzalver is, antwoordde de prettig bijdehante leerling: ‘Dat is iemand die net doet alsof hij een meester is.’