Klots - Geheim taal (Column David Stolk)

Ooit was ik in Schotland. Met een groepje fanatieke golfers. Wij logeerden in het plaatsje Ladybank. Een dorpje niet groter dan Midwolda. De bewoners waren doorspekt met zwarte humor en cynisme. Iets dat ons Winschoters met de ‘locals’ verbond. De gang van ons huis naar de enige pub in het dorp was ook snel gemaakt. Snel raakten wij in gesprek met diverse ‘lads and lassies’.

Op een avond keken wij vanachter een pint bruin bier naar de UEFA Cup finale. Glasgow Rangers verloor helaas. De stemming was bedroefd onder de kroeglopers, allen uitgedost in een blauw Rangersshirt. Direct na de wedstrijd kwam een man binnen in een Celticshirt. De aartsrivaal van Rangers. Hij zei met een onnavolgbaar Schots accent: ‘Oh, is this a footballnight?’

Dezelfde galgenhumor ken ik uit ‘t Pleintje van weleer. Toen ik eens uit het Haagsche terugkwam om mijn vuile was thuis af te leveren, liep ik van het station direct naar de kroeg. Om mij te laven aan de toog van barman Gerrie. Bij binnenkomst schonk de beste barman van Sodom direct een fluitje in. Na een intensieve week trilden mijn handen ietwat. Gerrie vroeg direct: ‘Wolst een nije? Want dizze trilt!’

Ik keek in het rond en ik zag wat nieuws in de kroeg. Het had iets van elan gekregen. In zoverre dat kon. Her en der zag ik bordjes hangen in een mij onbekende taal. ‘Jomfof pigge, ook veur deur de weeke. Ain soof.’ En ‘Pleintjes besollige schotter pakket. Een geroosterd marro met wat te buizen.’ Op de deur van het damestoilet hing een bordje. ‘Seibelbais veur lekeiven’. Ik vroeg de barman wat dit moest voorstellen. ‘Dat is Sodoms,’ vertelde Gerrie. ‘Idee van Tuf.’ Tuf werd door een stamgast ook wel Mole genoemd. Naar het boek van Sue Townsend. Dat mole ook dronken betekent, was een leuke bijkomstigheid.

Het lokale dialect in Winschoten was gelardeerd met Jiddische en Bargoense woorden en uitdrukkingen. Op Amsterdam na had Winschoten het grootste percentage joden onder de bevolking. Vandaar de bijnaam Sodom. Toen ik op mijn zestiende achter de bar begon en een stamgast mij vroeg: ‘Eem shousteren!’ wist ik niet wat hij bedoelde. Toen ik na drie keer nog niet naar de kassa liep, riep hij: ‘Nou dallie, du einsalm, of most een sjereis in de muif hebben.’ Naar het schijnt werd onder de Winschoters in de oorlog het lokale dialect vooral gesproken. Om zodoende de Duitsers en NSB’ers te slim af te zijn. Een soort geheimtaal dus.

Na een copieus maal en een lange dag op de golfbaan, was de groep vermoeid. Behalve Erik en ik. Wij liepen na de afwas snel naar de pub. Het was gezellig. Een soort Schotse vrijmibo. Maar zonder kaasplank en bitterbal. Her en der een puutje chips. De mannen waren al redelijk in de olie. Wij werden door twee local heroes, die elkaar nog naar het leven stonden na de voetbalwedstrijd, uitgedaagd om een potje te biljarten. ‘Scotland versus Holland!’ Verstond ik amper. In een zwaar dialect overlegden onze tegenstanders hun tactiek. Mijn compaan en ik deden dat ook. In het Grunnings. Een van de tegenstanders hoorde ons en riep: ‘You have to talk English!’ Wij antwoordden: ‘You as well!’ Het repliek: ‘We are talking fucking English!’