De tekeningen van Wim Romijn (21)

Vriescheloo - De Groningse kunstschilder, illustrator en auteur Wim Romijn geniet internationale faam als paardenschilder. Daarnaast schildert hij landbouwhuisdieren en wildlife. Zijn ontwerpen en illustraties dienden voor de vervaardiging van wenskaarten, kalenders, posters, borduurpakketten, portfolio’s en giclées. Hij toont op gezette tijden op deze site één van zijn tekeningen.... Dit keer Vulpes vulpes (Europese vos).

Even afwachten of de Shetlanderhengst zijn tred zal verhaasten; de jonge vos neemt toch maar het zekere voor het onzekere en neemt de kuierlatten. Behoedzaamheid is een ingeboren aard van de vos. Zich in het begin laag makend, sluipt hij door droge sloten en greppels, tussen landbouwgewassen weg om op afstand, verscholen in het struweel, het vermeende gevaar te kunnen observeren.

Vossen hebben een territoriuminstinct; daarom zijn het dezelfde vossen die zich in de buurt van boerderijen ophouden op zoek naar muizen en ratten, daarnaast staan ook bramen, bosbessen, wormen, aas, fruit, ziek/verzwakt wild en insecten (vooral kevers) op hun menu. Wanneer een vos wegvalt, wordt zijn plaats in een revier meestal ingenomen door een dolende jonge vos. De dichtheid van een populatie in een leefgebied wordt bepaald door het voedselaanbod. De vos is een schuw, bedachtzaam dier dat vooral heel vroeg in de ochtend en na het invallen van de duisternis actief op zoek gaat naar voedsel. De meeste kans om een vos ook overdag te kunnen zien, is in de maand januari, de paartijd voor vossen ook wel rekel- of ranstijd genoemd.

Vossen tonen hun aanwezigheid in een gebied op meerdere manieren:
– Om zijn revier te markeren zet de rekel (mannetje) met een geurklier geurvlaggen af. Ook voor  de mens is deze markering te ruiken.
– Vossen mesten op de meest uiteenlopende plekken, vooral opzichtig.
– Contact zoeken met elkaar (communiceren) door te keffen.
– In de sneeuw zijn prenten van de vos direct van hondensporen te onderscheiden. De    pootafdrukken van de vos liggen op één lijn waarbij de achterpoot instapt (in prent voorpoot),    de dikke winterstaart laat veegsporen achter.
– Vossen hebben een voorkeur voor konijnenholen met meerdere uitgangen, maar ze kiezen ook  wel voor een duiker of holle boom als bouw. Met name in januari graven ze vaak in sloottaluds,       te zien aan het uitgegraven witte, gele of bruine zand. De pijp heeft een zodanige doorsnede dat  je niet begrijpt dat een vos zich hierin kan verplaatsen. De moervos zal bij verstoring haar    jongen naar een ander hol brengen en vandaar het aanleggen van meerdere holen.
– In tegenstelling tot dassen, die zo zindelijk zijn dat ze zelfs een urinoir inrichten, tonen vossen dat er geleefd wordt. Voedselresten en mest, het is er te vinden in de directe nabijheid van het hol. Ze zijn niet kieskeurig met voedsel; een overschot wordt begraven voor een tijd van schaarste. Aan de stank in het hol weet je dat deze belopen is, of er gewoond wordt. Toen ik dit een keer wilde onderzoeken bij een burcht aan de rand van een koolzaadveld, liggend met mijn hoofd  in het voorste deel van de pijp, werd er achter mij geblaft, zo leek het. Op een tiental meters verwijderd stond een reebok, met bloeiende koolzaadstengels verstrengeld om zijn gewei, mij gade te slaan; sprong over de sloot, begon opnieuw te blaffen en hield dat nog enige tijd vol om uiting te geven aan zijn kwaadheid en schrik.
– De vos treft hetzelfde lot als de stootvogel (roofvogel); als hij door het terrein of het bos struint, er zijn altijd wel vogels die hem tot voorbij de gevarenzone luidkeels vergezellen en daarmee andere veld- en bosbewoners alarmeren.  

Moervossen

In april krijgen moervossen vier tot zes  zwart-grijze jongen, een enkele keer zeven. Het kan gebeuren dat zo’n zwarte welp zich naar buiten manoeuvreert, zeer kwetsbaar, onbeholpen en niet gevoelig voor indrukken. Als in mei de rode kleur de overhand krijgt komen ze met enige regelmaat naar buiten, worden nog wel gezoogd, maar krijgen ook hun eerste muizen. In dit groeistadium zijn zij zeer alert, vluchten bij onraad, zoals voor onbekende geluiden, bewegingen en veranderingen bij het hol, direct naar binnen om daar geruime tijd te blijven. De ouders brengen het voedsel vroeg in de ochtend of in de schemer teneinde het risico van het ontdekken van de burcht tot een minimum te beperken. Verweesde jongen zullen, indien hun fysiek dit toelaat, de bouw verlaten. Zij raken snel vermagerd en gedesoriënteerd. Een week of drie blijven de jongen dicht bij de burcht, daarna worden de verkenningstochten steeds langer. De ouders stimuleren dit pioniersgedrag door prooidieren op een steeds groter wordende afstand van de burcht achter te laten.

Van jongs af aan vullen ze de dagen met elkaar mollen en spelen met voedselresten, maar hoe ouder ze worden hoe feller de voernijd wordt, de strijd om het aangeleverde voedsel wordt zo fel dat de jongen op een leeftijd van vier tot vijf maanden kiezen voor volledige zelfstandigheid, de rekels gaan als eerste, de vrouwelijke jongen moeten wel eens door de moervos weggejaagd worden. Het betekent in ieder geval dat zij het in hun eentje maar verder moeten zien te klaren waarbij hun verkenningstochten ze in een nog vreemde wereld zullen brengen.

Dwarse pupillen 
Paarden en herten hebben dwarse (horizontale)pupillen, die een zachte blik geven. Het gevaar voor hen komt uit het open terrein, niet uit de lucht. De blik van een vos is van een roofdier; verticale pupillen die het mogelijk maken ook de lucht snel af te turen en in te stellen op boomtakken en zo. Het minder geliefd zijn (natuurlijk niet bij iedereen, natuurfreaks houden van vossen), heeft hem wellicht zijn eenvoudige Latijnse naam bezorgd.

De vos verdient het in zijn waarde gelaten te worden. Bij elke, dikwijls door menselijk handelen veroorzaakte, verstoring in de natuur hoor je zijn naam al snel vallen. De oorzaken zijn in de regel complex en dienen  tot in het buitenland toe (bejagen weidevogels) gezocht te worden.

Door een predator als de vos wordt het lijden verkort van zwakke en aangeschoten dieren, myxomatose konijnen en, na het uitbaggeren van sloten en het maaien van slootkanten, van donsvogels, kikkers en vissen.