De tekeningen van Wim Romijn (22)

De Groningse kunstschilder, illustrator en auteur Wim Romijn geniet internationale faam als paardenschilder. Daarnaast schildert hij landbouwhuisdieren en wildlife. Zijn ontwerpen en illustraties dienden voor de vervaardiging van wenskaarten, kalenders, posters, borduurpakketten, portfolio’s en giclées. Hij toont op gezette tijden op deze site één van zijn tekeningen.... Dit keer weidevogelbeheer.

Door de werkzaamheid van de mens verandert het landschap. Na de ruilverkaveling is er een einde gekomen aan de grondversnippering.  Landerijen zijn geëgaliseerd, nogal eens gedraineerd  en kronkelende sloten rechtgetrokken om machinale bewerkingen van het land te vergemakkelijken. Het bracht met zich mee dat veel bloemrijke beemden en laag gelegen vochtige weiden verdwenen. Hier en daar zijn niveauverschillen in het cultuurlandschap  nog waar te nemen zoals op uiterwaarden waar hemelwater de laagst gelegen plaatsen zoekt en er natte weiden met poelen ontstaan. Het zijn ideale voedselplaatsen voor waadvogels (hoogpotige vogelsoorten) die van waterinsecten, larven en rivierkreeften leven.

Rijk bodemleven

Weilanden, met stalmest en gier bewerkt, kennen een rijk bodemleven waar weidevogels (grutto’s, kievieten, wulpen, tureluurs en meer soorten) van profiteren. In dit opzicht mag het nut van akkerland voor vogels niet ongenoemd blijven. Door langdurige regenval ontstaan plassen, met name in bandensporen van oogstmachines. Vogels als kievieten en kemphanen, die zich doorgaans in weilanden ophouden, zoeken aan de randen van die plassen naar slakken en wormen. Deze en andere ongewervelde dieren voeden zich met achtergebleven aardappelen, bietenresten en halfverteerde maisstoppels. Ook op akkers met rottende groenbemestingsgewassen kun je in het vroege voorjaar foeragerende weidevogels aantreffen.

Vogelstand

Om de vogelstand een mogelijkheid te bieden zich te kunnen herstellen, legt een klein aantal veehouders (ook wel vogelweideboeren genoemd) plasdrassen aan. De bovenste laag van grasland graven zij af en maken een verbinding met een of meerdere sloten waardoor een wisselend waterniveau op het perceel ontstaat. Percelen plasdras blijven het gehele jaar of een deel van het jaar blank staan, bieden voedsel aan waadvogels en eendachtigen. In de nabijheid van zo’n waadpoel wordt ook genesteld. Met de afgegraven grond worden dijkjes om het perceel gevormd die beschutting, bescherming en rust bieden. Er zijn agrariërs die nog verder gaan in hun streven tot herstel.  Slootkanten afschuinen om meer natuurlijke levensruimte, voedselaanbod en nestelgelegenheid te bieden en tevens het gevaar van steile kanten voor donsvogels weg te nemen. Het slootwaterpeil, bepaald door de slootdiepte, brengen zij terug tot vroegere waarden zodat het water niet te snel wordt afgevoerd en de bovenlaag van het omliggende land langer vochtig blijft. Twintig centimeter diepe greppels graven met een onderlinge afstand van zestien meter, rekening houdend met het spreidingsbereik van elf tot twaalf meter van giertank en mestverspreider. Smalle stroken langs de greppels blijven hierdoor onbemest.

Kieviten en tureluurs

Met name voor kieviten en tureluurs zijn het  ideale broedplaatsen doordat de dichtheid en groeisnelheid van het gras hier minder zijn. Alleen grutto’s zijn eigenwijs en nestelen in het hoge gras met gevolg dat vóór de bewerking van het grasland, vogelweideboeren wel tot vijf keer toe een nest moeten verleggen naar de greppelkanten.  De kuikens verplaatsen zich bij het foerageren makkelijker over deze stroken. De greppels blijven in perioden van droogte langer vochtig en hebben meer afwisseling in bodemfauna en – flora. Donsjongen, de vliegkunst nog niet machtig, duiken na alarmkreten van hun ouders, de greppel in en drukken zich tegen de grond, bij voorkeur in klauwafdrukken van koeien; ze zijn vrijwel niet te ontdekken. Sommige vogelkenners horen aan de alarmroep van oudervogels of er een buizerd, wezel of kat is gesignaleerd.

De kans is uiterst klein geworden, maar wellicht dat het nog eens lukt, om ergens in het noorden een tafereel te mogen aanschouwen dat zal bijblijven; Friese paarden voor een hooimachine, op korte afstand gevolgd door parmantige ooievaars. De zich verplaatsende paarden veroorzaken trillingen in de grond (zeker bij veengrond), waardoor bodemwroeters als wormen naar boven komen. Het opgeschudde hooi doet grove insecten opvliegen en veldmuizen maken zich uit de voeten. Brutale kraaiachtigen laten zich evenmin onbetuigd, duiken in het hooi, vliegen op en strijken een stukje verder weer neer.
Deze ogenlust had niet mogen verdwijnen.