De Volharding, een ’monster-schip’

Bolschip De Volharding (1915) ligt niet meer aangemeerd aan de kade bij museum-gemaal De Hoogte in Nieuwolda. De stichting die het bolschip in beheer had, heeft dit varend erfgoed noodgedwongen moeten verkopen. Wegens gebrek aan vrijwilligers en wegens te strenge regels van de scheepvaartinspectie. Einde van een roemrucht tijdperk.

Een taaie kerel van nu 88 jaar: Daan de Haan, woonachtig in Oude Pekela, maar jaren actief als vrijwilliger op De Volharding. Met zijn oudere broer Henk, inmiddels overleden, voer hij lange tijd als schipper regelmatig met groepen over het Termunterzijldiep, veelal van Nieuwolda naar Termunterzijl en terug. Voor hem is een bolschip een vertrouwde plek; hij is aan boord geboren.

Als zijn ouders in juli 1930 op weg zijn van Oude Pekela naar Harlingen met een lading karton, bestemd voor Engeland, moet zijn hoogzwangere moeder in de zelen. Zij moet het schip voorttrekken; een paard vindt vader te duur. Trekken is minder zwaar dan bomen. Met een boomstok zorgt zijn vader ervoor dat hij op koers blijft. Net op tijd legt het schip aan in de Noorderhaven van Harlingen en daar komt kleine Daan pal tegenover het gemeentehuis ter wereld.

Wonen en leven aan boord is behelpen. Vader en moeder slapen lepeltje aan lepeltje in de bedstee van het piepkleine roefje. De kinderen, vier in totaal, vinden een slaapplek in het vooronder. 'Als we bijvoorbeeld een lading turf vervoerden was voorin een gat gemaakt in de turf. Daarin daalden wij af naar onze slaapplekken. Levensgevaarlijk natuurlijk. Stel dat die lading begon te schuiven. Dan viel al die turf boven op je en was je reddeloos verloren. Daar werd toen niet naar gekeken.'

Aan dek spelen is er niet bij. De kinderen worden als jonge honden vastgebonden aan de mast. Hun speeldomein is het lege ruim, hun speeltjes wasknijpers. Kleine Daan is een beweeglijk mannetje. Als hij wat stapjes begint te zetten, trekt hij al spelend het kleedje met daarop de gloeiend hete ketel koffie van tafel. De koffie klotst over zijn gezicht en zijn rechterarm. Hij gilt het uit. Van schrik gooit vader de boomstok weg, pakt een kan koude melk en smijt die over Daans gezicht. Hij merkt niet dat over zijn arm ook koffie is gevloeid. Als moeder ’s avonds zijn truitje uittrekt, blijft het vel eraan hangen. Helemaal genezen zal de huid daarna nooit.

Aankoop bolschip
Als Daan hoort dat de Stichting Nieuwolda vrijwilligers zoekt die als schipper met zo’n origineel bolschip willen varen, steekt hij zijn vinger op. Hij kent dit soort type schepen als zijn broekzak en wil graag zijn steentje bijdragen aan behoud van historisch erfgoed. De stichting die het dieselgemaal De Hoogte (1892) beheert, wil een meerwaarde aan het dorp geven en koopt in 1987 het originele bolschip De Volharding van Abraham Grave uit Winschoten. Na zijn pensioen had hij het bolschip verbouwd tot woonboot.

De Volharding werd in 1915 gebouwd op de scheepswerf van Wolthuis in Veendam. Met een tonnage van 75 ton, een lengte van 21 meter en een breedte van 4,5 meter is het een grote jongen. Bolschepen domineren in de eerste helft van de vorige eeuw het vervoer van producten over water. Tot ver in de 20e eeuw, zelfs nog tot in de jaren zestig, gaan vrachten stro, turf, klei, karton en aardappels per schip. Daarna neemt de vrachtwagen het karwei over.

Bolschepen zijn eenvoudige schepen. Er zit weinig franje aan: een voor- en achterdek, een mast, soms een zeil en een krap roefje. Met een oppervlakte van nog geen 4 vierkante meter en een hoogte van 1,30 meter is de leefruimte voor een gezin met meestal vier kinderen of meer beperkt. Te beperkt, zoals de ’Staatscommissie tot het Nagaan van den Toestand waarin het Binnenschippersbedrijf Verkeert’ in 1911 al constateert: 'Een ruimte die op het land zelfs voor één mensch zou worden afgekeurd'.

Conservation Award
Om De Volharding geschikt te maken voor toeristische tochtjes over het Termunterzijldiep moet nog heel wat werk verzet worden. Maar het plan voor aankoop en restauratie valt op bij de Europese Unie. ’Brussel’ kent de Conservation Award toe, zijnde een geldbedrag van 10.000 gulden, bestemd voor behoud van dit karakteristieke Groninger schip.

Mooi die prijs, een eerste opsteker, maar bij lange na niet genoeg om het schip voor dat geld te laten restaureren en geschikt te maken voor toeristische uitstapjes. Met dank aan subsidies, giften en de toenmalige wethouder van de gemeente Scheemda, Pieter Drenth, komt er geld op tafel om De Volharding weer bevaarbaar te maken. Dat gebeurt bij scheepsreparatiewerf Gosker & Van de Vooren in Westerbroek. Op 25 september 1992 wordt het bolschip officieel in gebruik genomen en varen vrijwilligers, onder wie Daan de Haan en zijn broer Henk, het schip naar zijn latere ligplaats in Nieuwolda.

In het bolschip zit geen motor. Van de Stadsbezittingen in Ter Apel wordt dan ook een opduwertje geleend voor onbeperkte tijd.
Als oud-schipper Abraham Grave het resultaat van de renovatie ziet is hij verrukt. Staand tegen de vlaggenmast van het gemaal roept hij uit: 'Ken mien ogen nait afhollen. t Is n monsterschip'. En zijn vrouw Wupke Slagter is wellicht nog enthousiaster. Zij klapt in haar handen als ze in het roefje staat: ''t Is net of ik weer thoes kom!'

Tekst: Cees Stolk

In deze rubriek vertelt De Verhalen van Groningen iedere maand een verhaal uit jouw regio. Benieuwd naar verhalen uit andere streken? Kijk dan eens op deverhalenvangroningen.nl/regio