Bènde gai ok zônne pèrde-zot?

De Groningse kunstschilder, illustrator en auteur Wim Romijn geniet internationale faam als paardenschilder. Daarnaast schildert hij landbouwhuisdieren en wildlife. Hij toont op gezette tijden één van zijn tekeningen op deze site en in de krant. Dit keer meer over de persoon zelf.

“Bènde gai ok zônne pèrde-zot?" Tijdens het stellen van deze retorische vraag brengt de Brabantse boer met zijn vereelte hand de mijne naar de buik van zijn drachtige merrie die uit een emmer met water drinkt. “As ge geluk het, kaande ‘t vulle vuulen (veulen voelen) springen”.

Ik reken mijzelf inderdaad tot het grote gezelschap van paardenliefhebbers die in alle gelederen van de maatschappij te vinden zijn. De een beleeft veel schik aan de Shetlanderruin van zijn of haar kleine meid, de ander – vrijwel verzadigd van alle kicks – vindt zijn Argentijnse polopony’s verdraaid leuke “speeltjes”.  Alhoewel de verzorgingskosten nog altijd hoog zijn en zullen blijven, heeft de paardenhouderij iets van zijn elitaire karakter verloren; door onze toenemende welvaart is deze liefhebberij voor meer mensen binnen hun bereik gekomen. Al moet echter gesteld worden dat het aantal  ‘stal- en tuinpaarden‘  hierdoor ook is toegenomen. Mensen die geen weidegang kunnen bieden en toch tot de aanschaf van een of meerdere paarden overgaan.

Gebrek aan beweging

Gebrek aan beweging  is voor een loopdier dat zich in het wild twintig uur per etmaal verplaatst een kwelling. Een aantal honderdduizenden Nederlanders vermaakt en ontspant zich met paarden; maar hoeveel mensen houden in stilte van paarden? Deze groep is niet te tellen. Stadsmensen die de Hongerwinter op het platteland hebben doorgebracht, bewaren ondanks alle ellende zoete herinneringen aan de kracht, inzet en werklust van boerenpaarden. De zwart-wit filmbeelden van trekpaarden, ingezet bij de evacuatie van getroffenen van de Watersnoodramp, maken indruk op jong en oud. Het is voor mij heel bijzonder geweest om nog met oud-paardensoldaten en twee oud-legerhoefsmeden gesproken te hebben: verhalen over paarden en de tucht binnen het regiment. Een van de hoefsmeden heeft mij onderwezen in het hoefbeslag; er lagen drie generaties tussen ons.

Mijn 'paardenzot' zijn vindt niet zijn oorsprong in het op zesjarige leeftijd beginnen met de ponysport. Voor mijn straatvrienden en mijzelf bestond liefde voor paarden uit ze te observeren, hun gedragingen te bestuderen. Vanwege de geringe afleiding in de buurt en omdat straatvoetbal met een plastic bal of een conservenblikje na verloop van tijd gaat vervelen, waren wij een paar keer door het bos naar een monumentale hoeve in Huis ter Heide (Utrecht) gelopen. In de hoeve en bijgebouwen waren een manegebedrijf en pensionstal gevestigd. We kwamen er voor de paarden die wij anders bereden door het Zeisterbos zagen lopen en bovendien, we hadden net zoveel oog voor het grote aantal boerenzwaluwen dat de stallen bevolkte. Bij onze laatste bezoek werden we opgewacht door kakkineuze stagiaires en verzorgers, die een stuk ouder waren dan wij. Toen we geen gehoor gaven aan het bevel om te keren, werden we met karwatsen uit elkaar geslagen; twee jongens die bij de vlucht ten val kwamen, werden genadeloos tegen de rug getrapt. Mijn belangstelling voor paarden werd door dit incident er niet minder door.

Op het voetbalveld

Op het voetbalveld had ik meer oog voor de kinderen die op hun pony’s langs het veld het bos inliepen dan voor het spel. Het was niet moeilijk voor mij in te schatten of een investering zoals de aanschaf en het onderhoud van een pony te veel gevraagd zou zijn. Ik liep in te grote tweedehands voetbalschoenen met houten noppen, die ik voor twee gulden vijftig had gekocht van het geld dat ik verdiende met oude kranten ophalen. Een afgedragen verbleekte sportbroek en in plaats van een shirt een te dik windjack in de kleuren van de club maakten het nog eens overduidelijk; zeuren om een pony had geen zin en hoe ik me in mijn jeugdjaren ook uitsloofde, de aanschaf van een eigen pony heb ik nooit kunnen verwezenlijken. In de herfstvakantie appels en peren plukken, jarenlang boeren bij het hooien meehelpen en op vrije dagen in de leer bij een hoefsmid om later op de zaterdag zelf paarden te kunnen bekappen, wat ik ook deed , de inkomsten bleven te marginaal. 

Door een verhuizing kreeg ik gelegenheid om bij ponyclub  ‘Het kleine Ros’ als vrijwilliger mee te helpen bij allerhande werkzaamheden, wat leidde tot een legitieme toegang tot de manege en meer contacten met pony’s. De handen moesten uit de mouwen worden gestoken: afrasteren, hooien, zaagsel halen bij een houthandel, weekenddienst voederen en begeleiden. Bij bostochten en drassige veldtochten op de fiets mee als  “begeleider”,  buiten adem leeftijdgenoten en jongere kinderen op hun pony’s volgen en met plezier aanschouwen hoe de verschillende rassen zich gedroegen en presteerden.

De kantine verworden tot een verkapte kroeg

Jammer genoeg waren er volwassenen binnen de club die mijn geestdrift temperden. In korte tijd was de landelijke sfeer veranderd. Ouders die niet verder kwamen dan de kantine, verworden tot een verkapte kroeg, vorming van klieken en steeds meer hautaine nieuwkomers die vrijwilligers (waar de club voor het bestaan afhankelijk van was|) straal voorbij liepen. Kinderen die verkeerd bezig waren met hun pony sprak ik hier op aan en gaf ik  – zover mijn kennis en inzicht reikten – adviezen. Van die kinderen kreeg ik daarna te horen dat ze van hun ouders niet meer met mij mochten praten. “Hij heeft geen verstand van paarden, leest alleen boekjes”.  Toen Sint-Nicolaas door de ponyclub werd ingehaald, kreeg ik in het gedrang een klap van een grotemaatpony tegen de zijkant van mijn dijbeen. En dan het vileine lachje van ouderparen en de vraag “sloeg die zo hard”?, terwijl ik misselijk van de pijn ineenkromp en uiteindelijk op de grond kwam te liggen. Met één been trappend, fietste ik naar huis.

Een paar jaar ouder

Een paar jaren ouder, nam ik voor bijna een jaar de verzorging van twee paarden over. Het ging mij minder om het douceurtje, maar meer om de mogelijkheid met paarden te kunnen omgaan. Ieder dag ‘s morgens om half zeven legde ik op de bromfiets een route van vijf kilometer af over dijken in een open polderland en ‘s avonds dezelfde route. Op een extreem koude winterdag was de badkuip met drinkwater met dik ijs gevuld. De waterpomp was alleen zaterdags aanwezig (risico van diefstal). Met een schop hakte ik een gat zo veel mogelijk  in het midden van een sloot om schoon water te krijgen, zakte daarbij door het ijs en stond tot over mijn kruis in het ijskoude water. Nog voor ik de stal had bereikt, was mijn broek stijf bevroren geraakt. In mijn onderbroek ging ik op een paard zitten om te ontdooien. Na enige tijd vulde ik mijn broekspijpen en laarzen met stro op en reed zo naar huis.

De negatieve en vervelende ervaringen, ergernissen en confrontaties met wantoestanden behoren tot de zorgen en moeiten van het leven en zijn voor mij nooit reden geweest mijn interesse in paarden te laten verslappen, het bijltje erbij neer te gooien of een andere liefhebberij te gaan zoeken; dat is voor echte losers.