Klots - Israëlpleintje (column David Stolk)

Sinds een jaar ben ik de veertig gepasseerd. Op dat moment zei mij dat niet zo heel veel, maar het gaat steeds meer wringen. Dierbaren om mij heen worden ouder en vooral daar heb ik moeite mee.

Moeite dat mijn dochter tiener is en binnen anderhalf jaar naar het voortgezet onderwijs moet, dat mijn ouders de zeventig aan het passeren zijn en dat ik nu de generatie ben waar de bv Nederland op moet bouwen. Het verlangen naar het naaste verleden wordt bij mij en velen met mij steeds groter.

Op de sociale media trof ik onlangs een foto van het oude Israëlplein aan in Winschoten. Dat plein was vooral een parkeerplaats met wat water- en boompartijen en een paar kiosken. Noten- en zuidvruchten en een lunchroom. Daarnaast een groot betonblok dat Vendet, Torro en Edah heeft geheten. Bij de reacties op de foto droop het sentiment ervan af. Doorgaans vond men het een prachtig plein. Wat natuurlijk onzin is. Het tekent vooral de aversie tegen de huidige invulling en de sloopdrang die Winschoten eigen is.

Een paar pareltjes

Het plein kende eigenlijk maar een paar pareltjes voor de Winschoter binnenstad. Een daarvan was uiteraard het beruchte café ’t Pleintje. Zelf heb ik de nadagen meegemaakt van de glorietijd. Eens ben ik begonnen achter de bar in Hoppe, drie keer vallen verderop. De toenmalige weekendbaas van het voormalige pakhuis vroeg mij of ik niet bij hem wilde werken. Inclusief een slaapplek. Naar later bleek was dat een stretcher onder de zonnehemel van zijn vrouw.

Deze overstap bleek voor mij een gouden greep. De periode in het café van Winschoten heeft mij op velerlei manieren gevormd. Soms ten goede en soms ten kwade. Vooral de vileine, gortdroge, zwarte humor is mij altijd bij gebleven. Of je nu wit, zwart, geel, Itakker, boswachter of gevallen voetbalprof was, niemand stelde iets voor. Zodra je de klapdeur doorliep was je niets meer of minder dan de andere nuttelozen aan de bar. ‘Moi, most een pot bier?’

Mijn ouders waren er minder enthousiast over. Pleintje stond wel een beetje bekend als een drugshol. In al die jaren heb ik, op een verdwaalde jonko na, nooit iets met drugs gezien. Op een drukke vrijdagavond speelde er eens een band en de zanger vroeg de uitbater of hij ook speed had. Hij antwoordde: ‘Speed? Dat is oet man. Most Otrivin nemen, loop even noar Tuf, hij het dat wel.’

Mijn beeld van het Israëlplein is toch vooral het markante pand aan de Venne. Een paar oude fietsen ‘veur het hoes’, bij zomerdag een aantal plastic stoeltjes en drie vergeelde parasols en een barkeeper met gigantische wallen onder de ogen die in de deuropening staat. ‘Most pissen? Dat dust mor bie Bloem.’

Met enige regelmaat

Met enige regelmaat tref ik op verjaardagen stamgasten, barkeepers en oud-eigenaren van het roemruchte etablissement. Het ene verhaal is nog sterker dan het andere. Iedereen heeft zijn eigen prachtige verhaal. Zelf ben ik eens in het bierluik gevallen. Bij de uitgang, voorbij de klapdeur, naast de wc’s zat een luik waar de drankenhandel zijn handel in gooide. Ik ging weg en groette deze en gene. Ik stap de klapdeur uit en ineens verdween de aarde onder mijn voeten. Ik landde op een krat Beck’s. Na de schrik bij mij en de man van Interbrew leek er niets aan de hand. Ik liep door de kelder naar de trap die uitkwam bij de bar. De dienstdoende barman zei: ‘hee bist er weer?’

De mannen aan de bar waren toen net zo oud als ik nu ben. Dat steekt. Deze mannen hadden een plek waar ze hun sores kwijt konden. Waar ze konden drinken, de Vrij Nederland-puzzel konden maken, waar ze het schaamteloos over de lokale politiek hadden en als de telefoon ging waren ze net weg of er nooit geweest. Een verlangen naar deze tijd en deze plek wordt steeds groter. Gelukkig heb ik een groot litteken onder mijn knie dat mij dagelijks herinnert aan vervlogen tijden.