Klots - Meneer De Wit (column David Stolk)

De Vrije Universiteit in onze hoofdstad stopt met het curriculum Nederlandse taal- en letterkunde. Dat is best bijzonder te noemen. Nederlands beschouw ik als een oerstudie. Samen met medicijnen, rechten en geschiedenis.

In de jaren ’70 bestond er zelfs een numerus fixus voor de studie. Dat houdt in dat er lootjes worden getrokken. Alhoewel dat ook niet heel veel zegt, want in dit decennium gingen ook veel wereldverbeteraars naar de sociale academie. Ik bedoel maar.

De Nederlandse literatuur- en letterkunde is niet meer hip en sexy. Terwijl het uiterst noodzakelijk is dat deze en gene het volk blijft voorzien van literatuur en de broodnodige spelling. Want als je doorgaans de sociale media leest, dan zakt de moed je in de schoenen. Van het kofschip, stam plus t, lidwoorden of bezittelijk voornaamwoorden hebben de roeptoeters vaak nooit gehoord. In mijn schoolgaande leven werden deze regeltjes erin geramd. Nee, geen zelfontwikkeling of e-learning, rijtjes stampen! Ik weet zelfs alle Duitse lidwoorden en voorzetselrijtjes nog. Daar was geen woord Frans bij.

In de talkshow van Jinek werd het goed omschreven. De leraar moet het ook een beetje leuk maken. Die moet lol trappen en al doende leert men. De leraar moet niet teveel bezig zijn met allerlei methodieken, deadlines, rapportages en de stemming van vele soorten ouders. Gelukkig had ik een dergelijke leraar. Meerdere maar een in het bijzonder, die maakte er een heerlijke puinbak van. Hij leerde mij op een onconventionele manier de basis van de juiste spelling en de rijke Nederlandse literatuur. Het ‘kofschip’ werd bij hem het ‘fuckschaap’ en als voorbeeld van een alliteratie schreef hij groot op het bord ‘Stomme Stolk’.

Voor de boekenlijst moesten wij minimaal 47 boeken lezen uit diverse periodes. Zelf las hij klassikaal op onnavolgbare wijze ‘De klucht van Molenaar’ van Bredero voor. Hij liep op sokken en hij plukte altijd aan zijn kuif. Slechts met een paar collegae kon hij door een deur. Dit stak hij niet onder stoelen of banken. Wij mochten voor andere leraren grafredes maken. ‘Hier ligt Van Son, jammer dat het niet eerder kon’ of ‘Hier ligt De Roest, het is jammer maar het moest.’

Meneer De Wit maakte literatuur levendig en leuk. Het werd een beetje Rock and Roll. In het begin van het schooljaar werden mijn vriend en ik direct vooraan gezet. Bij hem aan het bureau. Hij liet ons regelmatig weten, tussen neus en lippen, hoe hij over sommige andere klasgenoten dacht. Tevens wisselden wij onze lunch met elkaar uit. Samen met een van de mooiste meisjes van de klas maakte ik een boekverslag. De Buitenvrouw van Joost Zwagerman. Na de presentatie was het enige dat hij
zei: 'Wat ben je ook een mooie vrouw, een negen.'

Ik gun iedereen een dergelijke leraar. Maar ik geloof niet dat ze er nog zijn. Ik weet niet hoe hij het deed maar ik weet bijna alles nog van zijn lessen. Je gunde hem dat ook. Je wilde hem niet teleurstellen. Maar ook ik heb niet voor een studie Nederlands gekozen. De tendens was toen al ingezet. ‘Wat kun je ermee?’ Met de kennis van nu, denk ik heel veel. Het is ook nodig. Lezen
verruimt kennis en geest. Helaas is meneer De Wit niet meer onder ons. Zijn dood is nog altijd een mysterie. Net als zijn leven. Ik denk nog vaak aan hem. ‘Stomme Stolk.’ Het kan verkeren.